Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD6838

Datum uitspraak2001-09-06
Datum gepubliceerd2001-12-11
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/11963
Statusgepubliceerd


Indicatie

Procesbelang / doorprocederen. Op 18 juli 2001 is aan eiser, een Afghaan, met toepassing van artikel 34 Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend. Uit de verlening van deze verblijfsvergunning volgt dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het op 27 december 1999 ingestelde beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om toelating als vluchteling. Ook indien na gegrondverklaring van het beroep alsnog geconcludeerd zou moeten worden dat eiser verdragsvluchteling is dan wel een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, zou dat hooguit kunnen leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Behoudens bijzondere omstandigheden, die zijn gesteld noch gebleken, heeft eiser derhalve geen rechtens te honoreren belang meer bij het beroep. Beroep niet-ontvankelijk.


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage Zitting houdende te Arnhem Vreemdelingenkamer Registratienummer: Awb 99/11963 Datum uitspraak: 6 september 2001 Proces-verbaal van mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak van A, geboren op [...] 1975, van Afghaanse nationaliteit, eiser, gemachtigde mr. P.R. Klaver, tegen DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, (Immigratie- en Naturalisatiedienst), verweerdermr. G.J. Huith, gemachtigde mr. G.J. Huith. Ter zitting van 6 september 2001 zijn tegenwoordig: mr. A.W.M. van Hoof, rechter, en mr. drs. Z. Zuidema, griffier. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De gronden van de beslissing 1. Bij beroepschrift van 27 december 1999 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beschikking van 1 december 1999. Inzet van het beroep is of eiser ten tijde van de bestreden beschikking aanspraak had op toelating als vluchteling, dan wel verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen in verband met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 2. Aan eiser is bij beschikking van 8 januari 1999 een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met ingang van 18 juli 1998. Met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 is die vergunning omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet onder handhaving van de geldigheidsduur. Omdat eiser gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten op grond van de vvtv en de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, is hem met toepassing van artikel 34 van de Vreemdelingenwet 2000 met ingang van 18 juli 2001 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend. 3. Uit de verlening van laatstgenoemde vergunning volgt, dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep. Ook indien na gegrondverklaring van het beroep alsnog geconcludeerd zou moeten worden dat eiser verdragsvluchteling is dan wel een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, zou dat hooguit kunnen leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Behoudens bijzondere omstandigheden, die zijn gesteld noch gebleken, heeft eiser derhalve geen rechtens te honoreren belang meer bij het beroep. 4. Het oordeel dat eiser geen vluchteling is en voornoemd reëel risico niet loopt, zoals neergelegd in de beschikking van 1 december 1999, krijgt formele rechtskracht indien het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dat doet aan het oordeel dat er geen belang is bij het beroep niet af, omdat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend, eiser op die grond aanspraak heeft op een vluchtelingenpaspoort, en de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet ingetrokken kan worden omdat de grond voor verlening is komen te vervallen. 5. Gezien het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. 6. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Waarvan proces-verbaal, de griffier de rechter Afschrift verzonden: 12 September 2001